Coachen in de sport
In mijn programma's wordt vaak de vraag gesteld of coachen volgens mijn filosofie, past in die van sportcoaching. Mijn antwoord is: "Ja dat kan absoluut". De sportcoach hoeft zich alleen anders te gaan gedragen. In plaats van langs de lijn, tijdens de uitvoering, tijdens de wedstrijd te gaan staan schreeuwen naar de sporter, of bij voortduring alles voor te doen, moet hij vooral bezig zijn met:
- Het beste uit mensen naar boven halen
- Zelfsturing ontwikkelen
- Proceseigenaarschap creëren en respecteren
- Sturen op kaders en doelen.
Resultaat, daar gaat het om in de sport. De verwachtingen van sponsoren, raden van bestuur, supporters, ouders en, last but not least, de sporters zelf. Allemaal willen we succesvol zijn, willen we winnen en daar hebben we alles voor over. Een goed resultaat is belangrijk en motiveert om nog beter te worden. De langs de zijlijn schreeuwende doe-dit-doe-dat-coach past niet in dit plaatje. In essentie gaat het in het coachingsproces om bewustzijn (opwekken, vergroten, verhogen,) en verantwoordelijkheid nemen. Verantwoordelijkheid nemen, ook bij sporters, gaat alleen als ze keuzes hebben. Kiezen is het kernproces van zelfsturing. In hoeverre is instrueren wel leren? Hoeveel draagt instructie bij aan leren? Welke en hoeveel keuzes zitten er in de training- en begeleidingssessies die we geven? Welke keuzevrijheid geven we de sporter?
Mogelijk helpt onderstaand stuk bij het begrijpen van de bijna onbedwingbare behoefte van coaches om toch iets te gaan roepen langs de zijlijn. Maar, nog liever, hoop ik dat het je enige handvatten biedt om ander gedrag te gaan etaleren.
Stel je begeleidt een sporter, die zit in A (wat hij nu kan en doet) en wil naar B (wat hij wil bereiken, wat hij wil leren, wil kunnen en wil doen). Volgens het coachingsprincipe stel je eerst je einddoel vast en de kaders/regels/grenzen waarbinnen het proces zich mag afspelen. In schema ziet dat er als volgt uit.

Wat je nu bepaald hebt, is het speelveld waarbinnen de sporter zijn eigen weg gaat bepalen. Voor alle duidelijkheid: buiten de kaders is verboden gebied.
Valkuil nummer 1, en daar hebben we allemaal veel last van, ziet er als volgt uit.

Het lijkt het antwoord op de vraag: "Hoe kom je van A naar B?". Maar daarbij is waarschijnlijk ingevuld dat dit dan de snelste weg moet zijn. Wat je kunt vast stellen is dat dit de kortste weg is, maar of dat ook de snelste is, en of dit zo door iemand uitgevoerd kan worden is nog maar de vraag. Snelheid is hiermee niet verzekerd. Hebben de mensen die het moeten doen wel de vaardigheden, kwaliteiten, enzovoorts, in huis, om het zo te kunnen doen? Vinden ze het wel leuk om het zo te doen?
Het gaat er om dat je de sporter helpt zijn eigen weg laat vinden die hem van A naar B brengt (Waar ga je mee beginnen? Hoe wil je ....?). Iedere beweging die in A begint, binnen de kaders blijft en in B uitkomt, is dus goed. Vandaar de groene kleur van de lijn. Je kunt zo dus ook 100.000 lijntjes tekenen en eigenlijk het gehele vlak binnen de kaders groen maken, maar ik geef er eentje.

Er zijn nog wel meer valkuilen te noemen, maar ik bespreek hier de, voor de coach in dit proces, meest hardnekkigste. Tevens de meest waarschijnlijke verklaring voor het schreeuwen langs de zijlijn.
De coach heeft zijn eigen weg in dit proces, de blauwe lijn in dit plaatje (Ik doe het altijd zus en zo).

Lastig, zeker als de coach zich door zijn eigen kennis laat leiden. Steeds als de sporter iets doet dat niet in het beeld past van de coach zal hij ingrijpen (nee, je moet het zo doen). Een verlammend mechanisme voor de sporter, die zo al zijn vertrouwen in eigen kunnen zal verliezen. En bovendien een leger aan excuses heeft als het niet lukt: "Ja, jij zei dat ik het zo moest doen!"
Als het je lukt om het eigenaarschap van het proces bij de sporter te laten, dan krijg je echt de ontwikkeling in de sporter. Hij zal gaan groeien, gaan leren en ontplooien. Het schept de kans om nieuwe methodes en technieken te etaleren. En voor de niet-topsporter de kans om zijn eigen weg te kiezen.
Dit roept wel vaak de vraag op of je dan als coach helemaal niets meer mag zeggen, geen aanwijzingen meer mag geven of niet mag schreeuwen langs de zijlijn. Of, gezien vanuit het perspectief van de sporter, dat hij helemaal niets meer mag vragen aan de coach of, zie ook de verhitte discussie over de onderwijsvernieuwing, het allemaal maar zelf moet doen. Of dat je niets toe geschreeuwd mag krijgen. Natuurlijk niet, maar een sportcoach richt zich vooral op de manier waarop een sporter de prestatie ziet en interpreteert. Dat wil niet zeggen dat een sportcoach niets inbrengt. Om stappen voorwaarts te maken is vaak kaderverruiming nodig en dat kan heel goed gebeuren door tegenover de percepties en interpretaties van de sporter andere percepties en interpretaties van diezelfde actie neer te zetten. Schreeuwen langs de zijlijn kan wel degelijk functioneel zijn. Maar dan is dat een bewuste keuze in een afspraak tussen coach en gecoachte, zolang het maar niet de functie krijgt toebedeeld van verbetering, ontwikkeling en bewustwording.
Op de pagina sportcoaching meer informatie over programmamogelijkheden in relatie tot 'coachen in de sport'.
Meer over 'coachen in de sport' lees je in het boek dat ik samen met Peter Lind heb geschreven. Klik op het plaatje om naar de pagina van dit boek te gaan.